Aanpassingen aan de natuur

Aanpassingen van dieren

Aanpassing vis aan waterleven:

  • Kieuwen voor zuurstof
  • Staartvin om op een neer te bewegen
  • Slijm op schubben, zodat er minder weerstand is in het water Gestroomlijnde vorm

Poten van landzoogdieren:

  • Topgangers = loopt op toppen van tenen en hebben hoef om elke teen = hoefganger
  • Teengangers> alleen teenkootjes op de grond.
  • Zoolgangers > hele voet op grond (stevig, maar minder snelheid)

Poten van vogels:

  • Zangvogels: 3 tenen naar voren, 1 naar achteren
  • Roofvogels/uilen: tenen met scherpe klauwen
  • Loopvogels: hebben 3 tenen die naar voren staan
  • Watervogels: zwemvliezen tussen tenen
  • Steltlopers: lange poten en lange tenen tegen wegzakken in modder.

Snavels van vogels:

  • Kegelsnavel Zangvogels die zaden moeten kraken
  • Pincetsnavel Puntige snavel om insecten te vangen.
  • Haaksnavel Roofvogels die prooi moeten verscheuren
  • Priemsnavel Lange snavel om die in natte bodem diertjes te zoeken
  • Zeefsnavel Bij watervogels die water afslobberen voor kleine diertjes en plantjes.

Aanpassingen aan de kou

Aanpassingen van planten

Aanpassingen van dieren aan het milieu

Samenvatting thema